Toon van de Ven 1

Toon van de Ven

Geplaatst op Categorieën Sterke verhalen

Moderne monnik

Hotspots editie 27

Tekst: Marco Jansen
Fotografie: Lilian van de Kamp

Toon van de Ven uit Hierden kan mooie verhalen vertellen. Zijn bestaan als kloosterling op landgoed De Essenburgh in Hierden omschrijft hij als ‘zorgeloos’ en het leven volgens de regels van de communiteit der Norbertijnen ervaart hij als vanzelfsprekend. Maar op jeugdige leeftijd leek hij helemaal niet voorbestemd om het klooster in te gaan.

Mysterieus

De nu 77-jarige Martinus Henricus van de Ven, alias Toon, leeft al 62 jaar in een klooster. Als kind groeide hij op in zijn geboorteplaats Heeswijk-Dinther te Noord-Brabant, waar hij op jonge leeftijd in aanraking kwam met het kloosterleven. “Wij hadden thuis een klein boerderijtje met zeven hectare grond, zeven kinderen en zeven koeien. Mijn ouderlijk huis stond honderd meter bij het klooster vandaan en als kind kwam ik vaak in de kloostertuin. Daar mocht je in rondlopen en rondkijken en ik kreeg wel eens lekkere appels en druiven. Merkwaardig genoeg liep ik er vaak alleen. Soms met een broertje van me, maar op hem had het klooster geen effect. Voor mij was het klooster een onwerkelijke wereld, een beetje mysterieus en sprookjesachtig. Dat trok mij. ‘Hier ga ik ook heen’, dacht ik.
Rebels Maar toen ik zei dat ik naar het klooster wou, geloofde niemand in het dorp dat. Ik zou het nooit lang volhouden, het zou te saai en te stil voor me zijn. Ik was te jeugdig en te speels, een beetje rebels zelfs. Ik haalde vroeger allerlei kattenkwaad uit. Mijn vader bracht mij weg op de oude melkfiets en toen hij mij afzette, zei hij tegen broeder de portier ‘Hier heb je hem, morgen vroeg kom ik hem wel weer halen’.”

Geen verleidingen

Op 8 oktober 1950 deed hij op zestienjarige leeftijd zijn intrede in het klooster van Heeswijk-Dinther. “Ik kwam uit een degelijk, niet overdreven vroom, katholiek gezin. Vooral mijn moeder had een enorme verering voor Maria. Ik was netjes opgevoed en deed aanvankelijk alles wat me werd voorgeschreven. De eerste jaren in het klooster waren heel streng. Ik liep tijdens mijn noviciaat (proeftijd) in burgerkleding en had nog geen kloosternaam. De bedoeling was dat je meedeed aan het groepsgebeuren. Om half zes moesten we opstaan en als je er niet was, kwam de abt op de deur kloppen en moest je verantwoording afleggen. Het kloosterleven is een gemeenschappelijk leven. We deden alles in groepsverband, zoals wandelen, samen naar de kerk, koffiedrinken, ontspannen en het driemaal daags samen bidden, een heel belangrijke factor in ons leven. Ook het onderhoud van de tuin, het werken op de boerderij en in de keuken deden we in grote lijnen samen. Je moest je aan de regels houden en mocht niet aan de wereldse verleidingen worden blootgesteld. Mijn vader en moeder waren op dezelfde dag jarig, maar ik mocht er niet naar toe. De abt gaf toestemming om een stukje te gaan wandelen, dus toen ben ik stiekem toch gegaan. Ik ging zo ook wel eens zonder toestemming naar het voetballen in het dorp kijken.”

Hopeloos geval

“Na twee jaar kreeg ik een kloosterkleed, een habijt of pij genaamd. Tijdens deze officiële plechtigheid kreeg ik ook een kloosternaam. Ik was een ‘hopeloos geval’ en koos daarom de naam van de heilige Antonius, de patroon van de verloren zaak. Als je iets kwijt bent moet je tot de heilige Antonius bidden, opdat je datgene wat je verloren bent weer terugvindt. Mijn naam op het gemeentehuis is Martinus Hendricus, maar mijn roepnaam Toon heeft dus te maken met het klooster.”

Weggestuurd

“Door het kattenkwaad dat in mij zat, hield ik mij niet altijd aan de regels en daar werd ik wel degelijk op aangesproken. Toen ik weer eens bij de abt moest komen omdat ik wat gedaan had, vond hij het wel mooi geweest en stuurde mij naar Duitsland. Voor straf heb ik twee jaar in een klooster in Regensburg gezeten. Daar, in het Beierische Wald, was het eenzaam, eerlijk gezegd. Toen ik teruggeroepen werd, ben ik op De Essenburgh in Hierden terechtgekomen. Hier woon ik nu al 53 jaar.”

Op het kasteel

Vanuit het hoofdklooster Heeswijk in Brabant kwamen in 1950 de eerste paters van de orde der Norbertijnen op het kasteel De Essenburgh. Dat werd in de tijd van het rijke Roomse leven aangekocht door de paters, maar een kapel werd niet bijgebouwd; het bleef bij een priorij. “Toen ik hier in 1959 kwam, heb ik nog drie maanden in het kasteel gewoond, waarna we in het koetshuis zijn terechtgekomen. In die tijd was er nog geen waterleiding of cv, maar werd met hout een kachel gestookt en kookten we bronwater op een kolenkachel. Het was een heel ander leven dan dat wij nu leiden, want ook wij zijn meegegaan met de tijd. Nu wordt het kasteel verhuurd, maar ik kom er nog elke dag. Ik heb er mijn bakkerij en bak brood voor de gasten in het hotel.”

Een wonder

Van de Ven zit vol anekdotes en herinnert zich een mysterieuze gebeurtenis op de Essenburgh. “Ik kreeg hier twee neefjes van een pater te logeren, die een horloge van hun vader hadden gekregen, een kostbaar geschenk in die tijd. Zij waren op een boot aan het punteren door de gracht, maar één van die jongens was tijdens het varen zijn horloge kwijt geraakt. Het was al donker en er lag een hoop modder in die gracht, dus het had geen schijn van kans om te zoeken. ’s Nachts droomde ik dat ik met die boot over de gracht aan het punteren was en ik zag het horloge en haalde het uit het water. De volgende morgen riep ik met een beetje bluf dat ik het horloge wel even ging halen. En warempel, precies waar ik in mijn droom met mijn hand in het water was gegaan, viste ik het horloge uit de gracht. Of ik dit een wonder vind? Ik noem het toch liever heel toevallig. Hier is een droom werkelijkheid geworden.”

Geen persoonlijk bezit

Van de Ven wordt dagelijks geïnspireerd door de natuurlijke omgeving van het landgoed. “Het is zo rustgevend. Ik vind het een ongelooflijke rijkdom dat ik hier mag leven. Het gaat mij om het geestelijk welzijn en dat ik mij gelukkig voel. Ik moet ook eten en kleren kopen, maar geld komt bij mij op de tweede plaats. Ik voel mij schatrijk, maar heb niks. Wij hebben geen enkel persoonlijk bezit; het geld is van de gemeenschap van kloosterlingen samen. Ik heb geen salaris, maar als ik wat nodig heb, zoals een paar nieuwe schoenen, dan kan ik daarom vragen en krijg ik geld van de pater die de financiën regelt. Wij leven onder drie geloften; gehoorzaamheid, ongehuwde staat en armoede. Wij zijn een contemplatief beschouwend, naar binnen gericht klooster. Wij zijn hier nog met vijf Norbertijnse priesters en twee priesters van het bisdom. Zelf ben ik broeder. Ik heb geen filosofie of theologie gestudeerd, maar de kokschool gedaan. Vier zusters wonen apart achter dit gebouw. Wij bidden samen, werken samen, eten samen, maar slapen apart.”

Geen nieuwe aanwas

De wereldwijde ontkerkelijking en de daarmee teruglopende interesse voor het kloosterleven is voor Van de Ven een zorgwekkende ontwikkeling. “Het klooster is uit de tijd en er komen bijna geen nieuwelingen meer bij. Mensen worden praktischer en zakelijker, wat ten koste gaat van het mysterie en het geloof. Wij worden ouder en dreigen helaas te verdwijnen. Wij praten daar onderling wel over, maar kunnen niet anders dan bidden dat er een kentering komt. Maar ik ben ook realistisch: de teruggang van het aantal mensen dat nog lid is van de katholieke kerk is ontzettend groot. De oorzaak is luxe; mensen hebben alles wat hun hartje begeert en hebben Onze Lieve Heer niet meer nodig. Ze gaan pas bidden als ze arm zijn. Pas als er oorlogen of rampen komen, zullen de kerken weer volstromen. De mensen die nu in het klooster gaan moeten veel meer afstand nemen van dingen. Ik had niks, want hoewel we nooit honger hadden, waren we wel arm. Ik kreeg in die tijd één gulden zakgeld. Dan kon je een patatje en een ijsje kopen en dan was het op. Maar je was gelukkig.
Ik heb min of meer afstand gedaan van mijn vrijheid, maar zou niet meer anders willen. Je leeft voor God en je naaste; moet bereid zijn om voor andere mensen klaar te staan. Er moet diepgang zijn en je moet een degelijk gebedsleven willen leiden. Als je dat niet hebt, hou je het niet vol.”