Leen Pfrommer 1

Leen Pfrommer

Geplaatst op Categorieën Sterke verhalen

Gedreven sportman, fanatiek coach…

Hotspots Editie 10

“Ik ben geboren en getogen in Harderwijk. Ons gezin telde elf kinderen. Mijn vader had het hartstikke druk. Groot gezin én een eigen slagerij. Maar als er in de winter ijs lag, nam hij de tijd om met ons naar de baan te gaan. Op mijn vijfde kreeg ik met Sinterklaas mijn eerste houtjes. Eenmaal thuis van school rende vader met ons naar de ijsbaan. Dan werden mijn voeten zo strak afgebonden dat ik soms jankte van de pijn. Die kou deerde mij niet maar die voeten oh. Mijn vader wist; zit het niet strak genoeg sta je zó naast je ijzers. Vervolgens werd ik achter een stoel gezet en kon ik het de rest van de middag zelf uitzoeken. De echte passie ontstond toen ik in Amsterdam ging werken en de oude Noren van mijn vader mee kreeg. In Amsterdam kon je schaatsen op een ondergelopen atletiekbaan, maar het ijs was dun en ik was fanatiek. Al op de eerste dag ramde ik dwars door het ijs heen en brak ik mijn schaats. Mijn oom leende mij 55 gulden om nieuwe Noren te kopen. De Viking fabrikant Jaap Havekotte had mij als een van zijn eerste klanten.”

Uw vrouw was ook fanatiek schaatster, hoe heeft u elkaar ontmoet?

“Op de ijsbaan in Amsterdam. De Amsterdamse schaatsploeg waar ik bij zat telde drie meiden. Eén ervan heette Ietje Louwen. Als jongen van 19 jaar was
ik best geïnteresseerd maar ik had het veel te druk voor meisjes. Toen kwam mijn diensttijd en werd ik vaandrig. Daar hoorde een feestje bij. Nu was het de gewoonte dat degenen die vrijgezel waren de ‘bezette’ mannen bedienden op die avond. Nou, mij niet gezien. Er moest een afspraakje geregeld worden voor dat
feest. Dus zocht ik in het telefoonboek Ietje Louwen uit Amsterdam op en schreef haar een brief met de uitnodiging om mee te gaan. Schreef zij terug dat
ze geen idee had wie ik was. Of ik een foto wilde sturen. Ha ha! Ik was nog zo gek om dat te doen ook. Maar op dat feestje kregen we wel verkering, en nu
zijn we al 51 jaar getrouwd.”

U heeft een lange loopbaan als schaatscoach achter de rug.

Zeker, jarenlang heb ik mij ingezet voor de kernploeg, Jong Oranje en de sprintploeg. Het begon met mijn opleiding tot sportofficier. Na deze opleiding heb ik de sportacademie gevolgd. Na de sportacademie werd ik instructeur op de militaire sportschool. Hiervoor gingen wij in Beilen wonen waar al snel de  voorzitter van gewest Drenthe kwam vragen of ik gewestelijk trainer van de schaatsploeg wilde worden. Men zegt weleens dat het leven van toevalligheden aan elkaar hangt. In mijn geval klopt dat, want die Drentse ploeg was ontzettend sterk. Jan Bols, Harm Kuipers, Piet Kleine, allemaal jonge jongens die zeer talentvol waren. En ik was natuurlijk zo fanatiek als de pest. Toen werd ik overgeplaatst naar Breda, vreselijk vond ik dat, ik dacht dat het allemaal afgelopen was. Totdat, buiten mijn medeweten, minister Den Toom zich erin mengde, en ik een vrijstelling van het leger kreeg voor de periode vanaf december tot eind februari waarin ik de schaatsploeg mocht blijven trainen en coachen, naast mijn baan als sportofficier van de KMA.”

Was het schaatsen een passie die u samen met uw vrouw kon delen?

“Dat is altijd één van de grote voordelen geweest. Mijn vrouw is drie keer achter elkaar 2e geworden bij de Nederlandse Kampioenschappen. Zij snapte die schaatswereld en de gedrevenheid. Het is heel fijn een vrouw te hebben die alle begrip had voor mijn werk. Ze ging zelfs mee naar trainingskampen. Bij Jong Oranje huurde ik vijf appartementen waarvan het grootste appartement voor ons was. Dan stalden we alle stoelen en tafels uit in die grote keuken en mijn vrouw kookte voor de hele ploeg. Tegen de jongens zei
ze: ‘ik heb gekookt en boodschappen gedaan, maar afwassen doe ik niet’. Elke avond wees ze drie man aan om de afwas te doen. Na afloop van de trainingen waren de moeders van die jongens altijd verbaasd dat ze voor Ietje wel wilden afwassen. Ha, ha, thuis raakten ze geen theedoek aan.”

U was als trainer niet alleen gespitst op presteren, maar gaf ook bepaalde normen en waarden mee. Waar kwam dat idee vandaan?

Die normen en waarden kwamen voor een deel uit mijzelf, maar het was ook voor een gedeelte noodzakelijk. Ik heb een heel stel wereldkampioenen getraind. Die werden overal uitgenodigd. Dus zei ik tegen ze: ‘Stel je voor, zit je als wereldkampioen tussen de burgemeester en zijn echtgenote aan het diner, hoe denk jij dat die mensen naar jou kijken als jij je soep van het bord slurpt?’ Ik vond het mijn plicht om aan het begin van elk seizoen de jongens etiquette bij te brengen. Tussen de bedrijven door leerde ik de ze bepaalde algemene beleefdheidsnormen. Daar hebben ze later zeker profijt van gehad.”

Heeft u ooit overwogen om een biografie te schrijven?

“Nee, er zijn situaties die zwart op wit vervelend zijn voor een ander. Het zou opnieuw zeer kunnen doen. Er zijn zoveel leuke anekdotes maar ook vervelende verhalen. Nee ik doe het niet, ik ben te bang dat ik mensen beschadig.”