John de Wolf 1

John de Wolf

Geplaatst op Categorieën Sterke verhalen

Oud-profvoetballer en trainer

Hotspots Editie 9

Je hebt een behoorlijke staat van dienst maar op het moment ben je als trainer niet actief?

“Nee, ik heb momenteel geen club, maar ik sta liever vandaag dan morgen weer op het veld hoor! Ik zou graag een goede amateurclub willen trainen. Er is niks lekkerder dan je visie te kunnen overdragen en je energie op het veld kwijt te kunnen. En nog beter, die jongens beter kunnen maken. Je spreekt de voetbaltaal, je weet wat ze denken. Ik zeg altijd: ‘zeg maar gewoon waar het op staat en kom niet met smoesjes, want ik heb vroeger zelf het smoezenboekie uitgevonden.’ Ik vind dat je als trainer een goede balans moet vinden in het samen lachen en vooral het harde werken. Op dit moment ben ik, in samenwerking met de voetbalclub de Legmeervogels in Uithoorn, een voetbalschool aan het opzetten. We willen begin mei starten, en de jeugd kan inschrijven op 8 lessen van anderhalf uur. Omdat de groepjes niet groter worden dan ongeveer 10 kinderen, krijgen ze bijna individueel les van trainers en oud-spelers, waaronder ikzelf en Marcel Oelermans. Het concept is niet nieuw, maar ik vind het belangrijk dat het voor iedereen bereikbaar en dus betaalbaar is. De plannen zijn dan ook om in de toekomst op meerdere plekken in Nederland te starten.”

Mis je het voetballen?

“Soms. Er zijn wel momenten bij belangrijke wedstrijden op tv of in het stadion dat ik die kick weer voel.  Er is niets zo fijn als die spanning die je met elkaar voor een wedstrijd opbouwt. Maar wat ik op zo’ n moment het meest mis is die kleedkamerhumor, die typische grappen en grollen met elkaar uithalen, maar aan de andere kant keihard presteren.”

Heerst er onder de spelers net zoveel rivaliteit als onder de supporters?

”Als je het veld in gaat wel. Dan ben je elkaars tegenstander en maakt het niet uit wie er voor je staat, je wilt gewoon winnen. Ik ben er persoonlijk altijd een voorstander van geweest om te schakelen wanneer het fluitje gaat en de wedstrijd klaar is. Ik hield wel van die Engelse mentaliteit van: uitdelen, incasseren, en daarna met z’n allen een pint drinken. Zo hoort het te zijn. Rinus Michels heeft wel eens gezegd: ‘voetbal is oorlog.’  Ja, op het veld is dat ook zo. Winnen ten koste van alles. Het voordeel van mijn tijd was dat er nog niet zoveel camera’s stonden opgesteld. Tegenwoordig zijn de voetbalvelden complete warenhuizen met minimaal 20 camera’s rondom het veld. Wij konden nog weleens iets doen zonder dat het gezien werd.”

Volg je alles nog?

“Ja, ik ben nu gevraagd als rapporteur van de Telegraaf en dat is leuk. Maar ik ben ook gevraagd als analyticus. Dan sta ik voor, tijdens en na de wedstrijd op het veld en ben ik er toch meer bij betrokken.  Kijk, ik heb de afgelopen vijf jaren veel meegewerkt aan tv programma’s zoals Dancing with the Stars e.d., simpelweg omdat ik daar overdag de tijd voor had. ’s Avonds trainde ik de hoofdklassers dus ik heb me altijd met voetbal bezig gehouden. Maar ik heb gemerkt dat men dacht dat ik niet meer bij het voetbal betrokken was omdat ze me op tv zagen. Dat vond ik vervelend want ik ben, zeg maar, geboren op het veld. Vanaf mijn vijfde jaar trainde ik al.”

Is de mentaliteit van de spelers veranderd?

“Tja, je mag niet blijven hangen in vroeger hè. En soms kun je het de spelers ook niet kwalijk nemen hoor, want ze zijn vaak nog zo ontzettend jong als ze contracten krijgen of in het buitenland gaan spelen. Sommigen kunnen gewoon de weelde niet aan, maar er zijn er ook bij die heel erg goed begeleid worden. Maar wie ben ik om daar wat van te zeggen? Bovendien is het voor mij makkelijk praten, want ik moest het van mijn mentaliteit hebben.  Ik trainde om beter te worden, ging altijd tot het uiterste, maar vaak zie ik voetballers trainen omdat het moet.”

Heeft dat ook met leeftijd te maken denk je?

”Mmm, gedeeltelijk maar het moet toch in je zitten. Ik heb gespeeld tot mijn 36ste. Nadat ik in Engeland geblesseerd raakte, heb ik nog een tijdje in Nederland gevoetbald. Waaronder twee jaar met heel veel plezier bij Helmond Sport. Vijf dagen in de week reed ik 180 km heen en weer. Dat zegt genoeg over het plezier dat ik had. Helaas overleed in 1999 mijn vader op 58-jarige leeftijd.  Dat was in augustus en in december ben ik gestopt, kon het niet meer opbrengen, ik zat in de auto alleen maar te malen. Ik heb mijn oefenmeester gehaald en ben als trainer bij een club in Halsteren begonnen. Lekker weg uit Rotterdam, kijken of ik het leuk vond en of ikzelf wat te bieden had.

Weg uit het zicht?

”Ja, soms is het weleens moeilijk, ik merk dat mensen teveel naar me opkijken. Veel mensen denken dat ik een te grote persoonlijkheid ben en daardoor niet benaderbaar, en dat doet pijn. Ik ben een gewone jongen uit een volksbuurtje, ga vijf keer in de week bij mijn moeder langs in Schiedam-Zuid. Dan rijd ik ’s ochtends om acht uur, half negen voordat ik mijn afspraken heb naar haar toe en dan staat mijn kopje koffie met gekookte melk en een gekookt eitje met een boterhammetje klaar.”

Wat lief.

“Tja, ik vind het belangrijk om tijd voor elkaar vrij te maken. Ze woont in een 55plus flat met heel veel leuke mensen en is daar heel actief. Ze staat voor iedereen klaar, doet veel vrijwilligerswerk en ik heb echt heel veel bewondering voor haar. Ze is natuurlijk heel vroeg alleen komen te staan, en natuurlijk heeft ze haar moeilijke momenten gehad, maar ik had nooit verwacht dat ze zich er zo geweldig doorheen zou slaan. Daar heb ik ontzettend veel respect voor.” Ruwe bolster, blanke pit, hoe zou je jezelf als speler omschrijven? Meedogenloos, geen ontzag voor de tegenstanders, per se willen en moeten winnen, hard, maar fair. Ik denk dat ik niet makkelijk was, van mezelf eiste ik alles en dus verlangde ik dat ook van mijn medespelers. Kijk, alles staat of valt met je prestaties op het veld. Ik wist ook wel dat ik in die tijd populair was met dat lange haar, een baardje, oorbellen en mijn blauwe ogen. Maar ik kon het voor mezelf altijd goed plaatsen en wist dat als ik niet meer zou presteren het net zo snel weer over zou zijn.”

Was het uiterlijk typerend voor die tijd, Gullit met zijn dreadlocks, jij met je oorbellen en het lange haar?

”Nee, ik denk dat het komt omdat we grote persoonlijkheden waren. Het waren allemaal geboren leiders. Dat zie je nu minder. En ook dat heeft met eigen prestaties te maken. Je kunt pas medespelers ter verantwoording roepen als je zelf altijd in alles voorop loopt. Dat heb ik altijd heel goed voor ogen gehouden. Ik trainde altijd keihard om beter te worden en ik kan me niet herinneren ooit ziek te zijn geweest. Ten koste van alles bleef ik spelen, ik heb met spuiten gespeeld omdat aan beide voeten tenen waren gebroken, gebroken middenhandsbeentjes, vleeswonden in mijn enkels die zonder verdoving werden gehecht en hup zo snel mogelijk weer terug het veld op. Dat typeert mijn spelersgedrag. Als ik geblesseerd was, trainde ik 7 à 8 uur per dag om weer zo snel mogelijk terug te komen. Ik wilde niks missen, ik vond het geweldig.