Jan Vayne 1

Jan Vayne

Geplaatst op Categorieën Sterke verhalen

Was niet zo gehoorzaam

Hotspots editie 16

Een van de bekendste pianisten van ons land is toch wel Jan Vayne. “Jan Vayne, je weet wel, die met die lange haren, achter de piano” zoals mijn collega te horen kreeg toen Jan Vayne terug belde en zij nietsvermoedend te telefoon aan nam. We hebben met hem afgesproken in zijn eigen Sint Anna Kapel in Kampen. Het vijftiende-eeuwse, sfeervolle, kleine kerkje heeft hij enkele jaren geleden gekocht om zich te kunnen terugtrekken in zijn muziek.

Tekst: Lilian van de Kamp
Fotografie: Henk Merjenburgh

Nederland heeft twee bekende pianisten: Jan Vayne en Wibi Soerjadi.

“Ik begrijp dat mensen dat zo zien. Ja, wij zijn twee klassiek geschoolde pianisten die daarmee de meeste publiciteit hebben gekregen. Ik denk omdat wij opvallen. Maar waardoor? Ik denk omdat Wibi iemand is die afwijkt door zijn excentrieke gedrag. Ik wijk af door mijn uiterlijk, mijn lange haar. Zo simpel kan het zijn. Dat lange haar kan een impuls zijn dat mensen zeggen, ‘hé dat is die gozer’. Maar ons land heeft natuurlijk nog veel meer hele goede pianisten. Louis van Dijk bijvoorbeeld, is van een andere generatie, maar wel een ontzettend goede pianist en goede improvisator waar ik heel erg graag mee speel.”

Jij bent ook een echte improvisator?

“Hoe minder ik voorbereid, hoe beter. Je moet dan wel veel doen op dat moment van spelen, maar daar ontwikkel je ook je improvisatievermogen weer mee. Als je veel improviseert en je niet voorbereidt, dan wordt dat vermogen sterker. Als je het gaat ontlasten doordat je er de dag ervoor nog even naar gaat kijken, dan prikkel je dat improvisatievermogen niet en dan neemt het af. Dus mijn gemakzucht of luiheid, hoe je het wilt noemen, heeft er voor gezorgd dat ik zo kan improviseren als ik doe. Men vindt het een zwakte als je niet gestructureerd wilt zijn of niet wilt voorbereiden. Iedereen denkt dat het hoort en dat het niet goed is als je het niet doet.”

Dat is waarschijnlijk de mening van mensen die zich wel altijd goed voorbereiden.

“Precies, die gaan ook zeggen dat je het wel moet doen. Ouders bijvoorbeeld. Mijn ouders deden dat ook, die vonden ook dat ik ook braaf moest oefenen. Dan waren ze natuurlijk bezorgd, maar als ik had geluisterd was mijn improvisatietalent niet zo ontwikkeld en was ik als iedere andere concertpianist geweest. Wat natuurlijk ook heel mooi is, maar dan was ik niet onderscheidend geweest. Ik ben niet zo’n gehoorzaam jongetje geweest. Maar daar ben ik nu alleen maar blij om. Ik heb natuurlijk wel een beetje naar ze geluisterd, maar er moet gewoon een goede balans zijn. Ik was eigenwijs, maar daardoor heb ik mijn talent ontwikkelt. Mijn eigen karakter volgen heeft me geleid tot waar ik nu ben.”

Hoort het publiek het verschil tussen een improvisator en een ‘gewone’ pianist?

“Die voelt dat. Die voelt dat het echt is, dat het niet geprogrammeerd is, die voelt de impulsiviteit. Vaak is het wel zo dat ik ter plekke van alles bedenk en dat mensen dan achteraf komen vragen: waar kan ik die muziek kopen? Heb je die ook op papier staan? Dan kun je in dat twintig keer zeggen in een aankondiging dat het om improvisatie gaat en dan vragen ze na afloop of je het ook op cd hebt. Mensen kunnen blijkbaar niet beseffen dat zoiets gewoon maar gebeurt. Dat kan helemaal niet, vindt men.”

Als kind heb je waarschijnlijk ook gewoon volgens het boekje moeten oefenen?

“Ja, maar dat heb ik wel altijd parallel aan dat improviseren gedaan. Als je een balans kunt vinden tussen het bestuderen van literatuur, dat natuurlijk goed is voor je ontwikkeling, en het ontdekken van je eigen kracht, versterkt het elkaar. Het moet in balans zijn. Als je alleen maar improviseert en nooit een structuur zou volgen, die mensen heb je ook wel, dan wordt het toch een soort kringetje waar je in ronddraait en mis je toch bepaalde vaardigheden en de techniek. Die techniek leer je weer door te studeren en die studie is weer voeding om te gaan improviseren. Maar bij mij is het wel allemaal redelijk vanzelf gegaan, het studeren, het conservatorium, alles. Ik heb nooit echt gewerkt voor mijn muziek, voor wat ik doe.”

Wanneer besefte jij dat je dat talent had?

“Al heel vroeg. Dit wil ik doen, want dit gaat vanzelf en dit kan ik. Hier wil ik mijn werk van maken. Als jochie van tien wist ik dat dit het werd voor mij.”

Zit er voor jou nog wel ergens een uitdaging in de muziek?

“Ik zit niet te wachten op uitdagingen. Heb ik nooit gehad. Ik ben niet iemand die houdt van uitdagingen of overwinningen. Ik wil soepel en harmonieus leven. Dat vind ik leuk. Een leven waarbij alles in balans is. Ik houd niet van frictie. Ik houd niet van spanningen en ellende. Heel veel mensen zoeken uitdagingen op om die te overwinnen. Die willen hobbels nemen. Maar ik vind het leuk om in een soort flow te zitten. Ik hoef geen kluif te hebben aan alles. Andere mensen gaan zich na verloop van tijd vervelen of die denken gewoon dat je een uitdaging moet blijven houden, maar ik ga me alleen maar irriteren aan dat soort drijfveren. Je moet gewoon lekker in je eigen flow gaan zitten en daar mooie dingen mee doen.”

Wat zie jij tot nu toe als het hoogtepunt van jouw carrière?

“Dat weet ik niet.”

Waar ben je dan het meeste trots op?

“Ik ben ook nooit zo trots eigenlijk, dus dat is ook zoiets. Bij mij is elke dag weer voorbij als ‘ie geweest is. En of het nou een heel imposant iets geweest is of iets heel gewoons, de volgende dag is dat weer weg.”

Maar is er dan wel iets dat indruk op jouw maakt?

“Ja, natuurlijk wel. Maar dat ga ik niet zo mee te koop lopen van: weet je wel wat ik gedaan heb? Voorbij is voorbij. Er zijn wel leuke momenten, maar wat dat betreft is alles leuk, dus dan wordt het ook weer moeilijk om daar iets uit te kiezen. Zijn er dingen bij geweest die mij imponeren? Ik weet het niet. Bedoel je om in een bepaalde zaal te spelen?”

Bijvoorbeeld, het kan van alles zijn.

“Ja, de geboorte van mijn dochtertje heeft heel veel indruk gemaakt, maar dat heeft niets met muziek te maken. Dat is iets wat nooit uit je bewustzijn weggaat. Een levend iets is het meest bijzondere dat er bestaat. En toen mijn vader is overleden toen ik tweeëntwintig was. Dat zijn dingen die indruk maken. Mijn vak is totaal onbelangrijk in verhouding met dat soort dingen. Ik relativeer mijn vak, mijn ambacht, heel erg. Ik merk dat veel van mijn collega’s het vak helemaal vooraan hebben staan. Dat is alles voor ze. ‘Ik heb dat gespeeld, ik heb daar gespeeld, ik heb met die persoon gewerkt.’ Concerten of voorstellingen doen me eigenlijk niet zoveel. Vind ik niet belangrijk. Het is wat het is. Als het slecht is, vind ik dat morgen ook niet erg meer en als het goed is, is het goed. Ik vind het wel allemaal heel leuk, begrijp me niet verkeerd, maar ik weet het te relativeren met het echte leven.”

Wat vind je dan het leukst aan je vak?

“Uitersten vind ik leuk. Ik heb wel eens gespeeld voor drie mensen. Dat een of andere directeur van een bedrijf met een paar man zit te dineren en zegt, we willen en concert van u. Natuurlijk kan dat. En dat is ook echt kicken. Je weet van te voren echt niet wat je daar gaat doen en wat er gaat gebeuren. En ik heb wel eens een stelletje gehad, die wilden dat ik kwam spelen in een grot, waarbij de man zijn vriendin ten huwelijk ging vragen. Dat wist ik niet. Ja, dan zit je dus in een grot, ergens in Limburg en dan gaan die twee mensen twee meter van je af zitten te dineren. Is wel apart. Ik heb voor Clinton (tijdens de inauguratie van Clinton als President red.) gespeeld, das ook een grote jongen, maar dat kan me ook geen bal schelen. Maar het was wel grappig. Ik heb met Armin van Buuren op Sensation gespeeld, voor 50. 000 mensen. Op dat moment denk je ‘wat gek, idioot, grappig, leuk, apart’. Op dat moment is het dan wel enerverend, maar een week later gaan we weer gewoon door. Ik vind het leuker als er hier in deze kerk tachtig man om mij heen zit, dan is de afstand veel kleiner.”

Je hebt het liever intiemer?

“Ja het contact met het publiek is het meest bijzonder. Dat je voelt dat zij je muziek oppakken en je de energie die zij voelen weer terug krijgt. Een kleine groep dichtbij doet veel meer dan tweeduizend man in een grote zaal. Ik merk dat de mensen die hier in dit kerkje komen, laaiend enthousiast weg gaan. Als je hetzelfde in een concertgebouw doet vinden ze het ‘mooi, chique of leuk’ gespeeld. Ze zijn dan ook een nummer. Hier komt tachtig man die niet weten wat ze meemaken. Die komen je na afloop een hand geven. Heel waardevol. Maar juist die afwisseling tussen groot en klein maakt het allemaal leuk. En ook in muziekstijlen houd ik van die afwisseling. Ik doe nu iets dat te maken heeft met pop of dance, dan weer iets wat meer blues is en dan weer klassiek. Mijn muzieksmaak is zo breed dat ik me niet beperk tot een stijl. Maar mijn basis is natuurlijk wel klassieke muziek. Dat is mijn opvoeding. En dat vind ik ook nog steeds het meest bijzonder.”